Een van de belangrijkste voorzieningen die de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (hierna: “OK”) kan treffen, is de benoeming van een OK-bestuurder. Een dergelijke voorziening treft de OK regelmatig en is in veel gevallen zelfs de reden om een enquêteprocedure te beginnen. Een treffend voorbeeld deed zich eind vorig jaar voor toen de OK in een spraakmakende enquêteprocedure Gerard Sanderink schorste als bestuurder van Centric en Peter Wakkie aanstelde als tijdelijk bestuurder.2Hof Amsterdam (OK) 3 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3139, JOR 2022/285, m.nt. S.M. Bartman (Centric); Hof Amsterdam (OK) 10 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3195. Opmerkelijk is dat, hoewel de OK met enige regelmaat een OK-bestuurder benoemt, in de literatuur nog steeds grote verdeeldheid bestaat over de vraag hoe de rechtsverhouding tussen de OK-bestuurder en de rechtspersoon gekwalificeerd moet worden. De wet regelt de rechtspositie van de door de OK benoemde tijdelijk bestuurder (hierna: “OK-bestuurder”) namelijk summier. De wet bepaalt slechts dat de OK een OK-bestuurder kan benoemen3Art. 2:356 sub c BW. Dit artikel betreft enkel de eindvoorzieningen. Algemeen wordt aangenomen dat de OK ook een tijdelijk bestuurder kan benoemen als onmiddellijke voorziening. en zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen regelt (art. 2:357 lid 2 BW). Meer specifiek regelt de wet verder dat de OK de OK-bestuurder een beloning ten laste van de rechtspersoon kan toekennen (art. 2:357 lid 4 BW).4Art. 2:357 lid 4 BW. In art. 2:394a lid 2 BW is, opmerkelijk genoeg, slechts opgenomen dat art. 2:357 lid 6 BW (de kosten van verweer van een OK-functionaris in geval van een aansprakelijkheidsprocedure komen ten laste van de geënquêteerde rechtspersoon) van overeenkomstige toepassing is bij onmiddellijke voorzieningen. In de HEDH-beschikking overwoog de OK echter dat art. 2:357 lid 4 BW zich leent voor overeenkomstige toepassing in het geval een OK-bestuurder wordt benoemd bij wijze van onmiddellijke voorziening. Hof Amsterdam (OK) 13 november 2014, ARO 2015/36, r.o. 2.5 (HEDH). Ook bestaat er een wettelijke regeling ten aanzien van de kosten van verweer bij aansprakelijkheidsstelling van de OK-bestuurder en verslaglegging aan de OK (art. 2:357 lid 6 BW).5Art. 2:357 lid 5 jo lid 6 BW. De wet rept met geen woord over de rechtsverhouding die tussen de OK-bestuurder en de rechtspersoon ontstaat. In de literatuur bestaat daarover dan ook een veelheid aan meningen. Van een heersende leer is onzes inziens nog geen sprake. Ook de Hoge Raad heeft zich nog niet over dit onderwerp uitgesproken. Hierdoor rijzen er allerlei vragen rondom de rechtsverhouding tussen de OK-bestuurder en de rechtspersoon. Komt ook tussen de OK-bestuurder en de rechtspersoon bij benoeming zowel een rechtspersonenrechtelijke als een contractuele rechtsverhouding tot stand? En hoe zit het juridisch met het vaststellen van en de grondslag voor de beloning van de OK-bestuurder?
