Dierenwelzijn
prof. mr. D.W. Bruil
Een eerste en belangrijke vraag is: wat is dierenwelzijn en hoe bepalen we dat? Het Planbureau voor de Leefomgeving1 stelt het als volgt: ‘dierenwelzijn draait primair om de kwaliteit van leven zoals het dier die ervaart. Maar geen mens, ook niet de deskundige,kan claimen exact te weten wat dieren voelen. De maatschappelijke welzijnsdiscussie is echter breder en betreft naast ongerief voor de dieren ook kwesties als natuurlijkheid, technologisering, intrinsieke waarde, rechten van dieren en esthetiek.
Artikel kopen € 79,00 excl. BTW
In plaats van abonneren kunt u dit artikel ook afzonderlijk kopen.
In veel gevallen strookt het oordeel van dierdeskundigen over de mate van ongerief met de mate waarin dat ongerief onderwerp is van maatschappelijke discussie. Maar er zijn ook onderwerpen die nadrukkelijk maatschappelijke commotie oproepen, zoals het houden van varkens in een flat of het doden van eendagshaantjes, terwijl ongerief voor het dier daar niet aan de orde(hoeft te) zijn. Dit maakt het voor veehouders buitengewoon lastig om de buitenwereld te overtuigen van de welzijnsvriendelijkheid van hun houderijsystemen.’
In Nederland is de laatste jaren zeer veel aandacht voor dieren. Wij hebben er ook heel veel. Op een oppervlakte van maar 42.000 km2 wonen niet alleen ruim 16,5 mln. mensen, maar ook 145.000 paarden, 1,4 mln. schapen en geiten, bijna 4 mln. koeien, 12 mln. varkens en 96 mln. kippen.2 De aantallen nertsen, struisvogels, eenden en elanden zijn minder hoog, maar niet te verwaarlozen. Dat zijn dan de zgn. landbouwhuisdieren. Er schijnen ook nog meer dan 30 mln. gezelschapsdieren te zijn, honden, katten, muizen, kanaries, goudvissen e.d. In het wild leven uiteraard ook nog – meestal onbekende aantallen – dieren. De toenemende publieksaandacht voor diervraagstukken komt onder meer tot uiting in de politiek. Als enige land ter wereld hebben we een Partij voor de Dieren met inmiddels vertegenwoordigers in Tweede en Eerste Kamer, in zeven provincies (Provinciale Staten), zes waterschappen en zes gemeenteraadsfracties.3 Uiteraard is het niet alleen deze partij die een aantal dierenthema’s naar voren heeft gebracht, ook andere partijen besteden er meer dan voorheen aandacht aan. Om enkele aansprekende onderwerpen te noemen:
––de introductie van de speciale dierenpolitie;4
––het verbod op seks met dieren;5
––het ‘uitfaseren’ van de nertsenhouderij;6
––het verbod op ritueel slachten.7
Deze onderwerpen zullen in dit artikel niet verder aan de orde komen. Wel zal een overzicht worden gegeven van de regels voor dierenwelzijn die gelden in de dierhouderij. Veel van deze regels zijn betrekkelijk technisch van aard, bijvoorbeeld waar zij betrekking hebben op huisvesting. De eisen, en dan vooral de veranderingen daarin, hebben vaak wel flinke consequenties voor de kosten van de veehouderij en daarmee voor de inkomens van de boeren. Vaak wordt daarom gewerkt met ruime overgangstermijnen voor noodzakelijke investeringen, overigens ook vaak nog weer verlengd. De basis voor de welzijnsregelgeving is op Europees niveau gelegd in verordeningen en richtlijnen. Dat ligt ook voor de hand, aangezien de veehouderijen op de Europese markten moeten concurreren, en genoemde kosten daarbij medebepalend zijn. Op nationaal niveau is de Europese regelgeving uitgewerkt in verschillende uitvoeringsbesluiten op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, welke in de toekomst wordt vervangen door de Wet dieren. In feite legt de overheidsregulering een minimaal niveau van dierenwelzijn vast. In toenemende mate trachten partijen zoals (groot)winkelbedrijven, dierenbeschermers en ook boeren een hoger, bovenwettelijk niveau van dierenwelzijn te bewerkstelligen. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het zgn. sterrensysteem ‘Beter Leven’ van Dierenbescherming Nederland, op basis waarvan allerlei afspraken zijn gemaakt met veehouders, verwerkers en winkels. Dat hogere niveau van dierenwelzijn wordt privaatrechtelijk geborgd, door middel van overeenkomsten. De hoop is dat de daarmee samenhangende kosten voor dierenhouders kunnen worden verdiend op ‘de markt’. Uiteraard staat of valt dit systeem met de bereidheid van consumenten om meer te betalen voor dierlijke producten die afkomstig zijn van dieren die het beter hebben of hebben gehad dan de minimumstandaard eist.
Tot op zekere hoogte loopt het economische en het welzijnsbelang in de dierhouderij parallel. Een dier dat zich goed voelt zal in het algemeen een goede productie opleveren. Een goed welzijn kan ook economische voordelen brengen, zoals we nog zullen zien. Toch kunnen de kosten van welzijnsmaatregelen, bij de smalle marges die nu eenmaal aan de landbouw schijnen te moeten kleven, de concurrentiepositie van de veehouderij, zeker in verhouding met landen van buiten de Europese Unie, aantasten. In een Europees rapport worden de jaarlijkse kosten voor het bedrijfsleven geschat op € 2,8 miljard, wat neerkomt op 2% van de waarde van de totale productie van de veehouderijsector.8 Het rapport stelt dat er weinig bewijs is voor de stelling dat eisen aan dierenwelzijn de stabiliteit van de veehouderij negatief beïnvloedt. De economische duurzaamheid van de sector hangt meer af van vraag en aanbod, variaties in marktbescherming en het belang van dierenwelzijn in verhouding tot andere kosten en business drivers.
Behalve economie is ook milieu in de veehouderij een belangrijk onderwerp. Ook hier lopen de belangen in sommige opzichten parallel. Is de reductie van de emissie van ammoniak bijvoorbeeld gediend met een beter en sneller afvoeren
van de mest, ook het stalklimaat profiteert daarvan en dus het welzijn van de zich in die stal bevindende dieren. Overigens is ook het voldoen aan milieueisen af en toe een voordeel in de markt. Er zijn echter ook tegengestelde belangen. Koeien in de wei bijvoorbeeld – als we van mening zijn dat het welzijn van koeien daarmee bevorderd wordt - zouden meer milieubelasting veroorzaken dan koeien die binnen staan.9 Daar kan overigens verschillend over worden gedacht. Voor broeikasgasemissies schijnt weidegang weer voordelen te hebben.10 Dieren die een uitloop hebben voelen zich volgens velen misschien beter, maar zijn wel vaker ziek.11 Daarmee is ook de relatie tussen dierenwelzijn en diergezondheid onderwerp van een discussie die niet steeds tot duidelijke uitkomsten leidt. Aangenomen mag worden dat er in het algemeen een parallel belang is: een gezond dier voelt zich goed.
U heeft op dit moment geen toegang tot de volledige inhoud van dit product. U kunt alleen de inleiding en hoofdstukindeling lezen.
Wanneer u volledige toegang wenst tot alle informatie kunt u zich abonneren of inloggen als abonnee.