Tijdschrift voor Agrarisch Recht 2015 nr. 12

Fosfaatrechten melkveehouderij; een volgende paragraaf in de Meststoffenwet

mr. H.A. Verbakel-Van Bommel Het artikel is in de opmaak van het tijdschrift rechts als pdf beschikbaar.

De melkveehouderij in Nederland werd op 2 juli 2015 geconfronteerd met de aankondiging van het
‘stelsel van fosfaatrechten’. Op genoemde datum heeft de staatsecretaris van Economische Zaken, mevrouw S. Dijksma, een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin zij productiebeperkende maatregelen heeft aangekondigd. Een volgende paragraaf in de Meststoffenwet die paal en perk moet stellen aan de groei van de melkveehouderij, terwijl de inkt van de vorige maatregel (grondgebonden groei melkveehouderij) nog maar amper droog is.

Mr. dr. J.J. de Rooij is in zijn bijdrage ‘Van verantwoorde groei naar een nieuw plafond’ in de uitgave van dit tijdschrift van november ingegaan op een aantal aspecten van deze door de overheid genomen c.q. aangekondigde maatregelen.

Referentiejaar en peildatum

Vanaf 2 juli jl. is duidelijk dát er een stelsel van fosfaatrechten komt, maar daar blijft het dan voorlopig bij. Het wetsvoorstel wordt pas medio 2016 verwacht.

De staatssecretaris heeft hiermee, bedoeld of onbedoeld, een zogenoemde standstill-situatie gecreëerd. In de kamerbrief worden immers een ‘referentiejaar’ (2014) en een ‘peildatum’ (2 juli 2015) genoemd.

Uitgangspunt bij de toekenning van het aantal fosfaatrechten is het gemiddeld aantal gehouden stuks melkvee in het referentiejaar 2014 per bedrijf en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie (normen Meststoffenwet).

Vervolgens heeft de staatssecretaris geschreven dat bij het bepalen van de fosfaatrechten wijzigingen meegenomen kunnen worden. Het moet gaan om wijzigingen die:

  • tussen 2014 en 2 juli 2015 hebben plaatsgevonden;
  • bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zijn geregistreerd, en;
  • van invloed zijn op het gemiddelde aantal op het bedrijf gehouden stuks melkvee of op de forfaitaire fosfaatexcretie.

Afgezien van het feit dat mij niet duidelijk is welke wijzigingen exact worden meegenomen, is het ook nog onduidelijk hoe wijzigingen worden verwerkt.

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de staatssecretaris van Economische Zaken. De staatssecretaris heeft deze bij brief van 5 oktober 2015 beantwoord (Kamerstukken II 2015/16, 33 979, nr. 100). Zo heeft de commissie gevraagd om een nadere uitleg over de twee referentiedata. Wanneer wordt gerekend met de een en wanneer met de ander?

Het antwoord van de staatssecretaris op deze vraag was dat de groei van bedrijven die tot 2 juli 2015 heeft plaatsgevonden, kan worden meegenomen bij de toekenning van fosfaatrechten. Hierdoor zouden minder knelgevallen moeten ontstaan dan bij het hanteren van alleen het referentiejaar 2014.

Op zich een helder antwoord voor bedrijven die zijn uitgebreid. Maar wordt er ook rekening gehouden met het verminderen van het aantal stuks vee op een bedrijf? Oftewel: heeft een bedrijf dat na 2014 is gestopt met het houden van melkvee nog recht op toekenning van fosfaatrechten? Het lijkt mij voor de hand te liggen dat alleen landbouwers die ten tijde van inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving nog een bedrijf in de zin van de Meststoffenwet exploiteren in aanmerking komen voor fosfaatrechten. Maar moeten dat op dat moment ook bedrijven zijn die aangemerkt kunnen worden als een melkveehouderij?

Helaas is het momenteel ook onzeker wat de gevolgen zijn van een bedrijfsoverdracht of herstructurering van een bedrijf ná de peildatum 2 juli 2015. Het lijkt voor de hand te liggen dat de referentiegegevens van de vervreemder van een bedrijf overgaan naar de verkrijger van het bedrijf, maar is dat zo zeker?

Denk hierbij onder andere aan bedrijfswijzigingen waar sprake is van een nieuw handelsregisternummer voor de onderneming en dus toekenning van een nieuw relatienummer bij RVO. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de productie-eenheden van het bedrijf door een landbouwer in een personenvennootschap of rechtspersoon worden ingebracht. Als in de nieuwe wetgeving wordt bepaald dat de referentiegegevens in het kader van een bedrijfsoverdracht ‘overgaan’, is er waarschijnlijk geen vuiltje aan de lucht. In dit kader ga ik er overigens gemakshalve van uit dat partijen (vervreemder en verkrijger) de intentie hebben dat de toekomstige fosfaatrechten aan de verkrijger van het bedrijf worden toegekend. Tot op heden weigeren RVO en EZ inhoudelijke vragen hieromtrent te beantwoorden. Dit vanwege het feit dat het stelsel nog moet worden uitgewerkt en er pas communicatie gaat plaatsvinden nadat het wetsvoorstel is aangeboden aan de Tweede Kamer.

Het is in ieder geval raadzaam om als adviseur, betrokken bij een bedrijfsoverdracht of herstructurering van een onderneming, aandacht te schenken aan het onderwerp toekomstige fosfaatrechten. Zeker in de situatie dat de vervreemder niet het gehele bedrijf overdraagt, maar bijvoorbeeld een aantal hectaren landbouwgrond blijft exploiteren. Zijn relatienummer blijft daardoor bij RVO in tact. De kans is dan aanwezig dat de referentiegegevens voor dit relatienummer blijven geregistreerd. Het is aan te bevelen dat partijen in het kader van een overdracht hieromtrent (aanvullende) afspraken maken. Maar een voor alle partijen ‘sluitende’ regeling kan vooralsnog, vrees ik, niet worden geredigeerd.

Knelgevallen

Door het hanteren van de peildatum van 2 juli 2015 hoopt de staatssecretaris het aantal knelgevallen te beperken. Toch heeft de staatssecretaris erkend dat een knelgevallenregeling niet uit kan blijven. Het is echter de grote vraag wat er in deze regeling wordt opgenomen. Wat zijn knelgevallen en op welke wijze worden zij gecompenseerd?

Het ligt niet voor de hand dat er een ruimhartige regeling komt. Dit vanwege het feit dat de (voorlopige) fosfaatproductie door de melkveehouderij in 2014 uitkomt op 86,1 miljoen kilogram per jaar. Dat is 1,2 miljoen kilogram boven het door de sector aan zichzelf opgelegde plafond van 84,9 miljoen. Daarnaast is volgens de staatssecretaris vastgesteld dat in de eerste helft van 2015 het aantal dieren in de melkveehouderij is gestegen ten opzichte van 2014. De totale productie fosfaat in 2014 (alle sectoren) lijkt 172,3 miljoen kilogram te bedragen. Door Europa is een plafond aan Nederland opgelegd van 172,9 miljoen kilogram fosfaat.

Er is binnen de melkveehouderij meer ‘latente productie’ dan past binnen het genoemde plafond. Denk hierbij aan bedrijven waar nog sprake is van onbenutte mestplaatsingsruimte (grond). In een interview met voormalig staatssecretaris Dijksma, gepubliceerd in de Boerderij van 4 juli 2015, geeft zij aan dat er veel zorg is over grondgebondenheid en dat zij wil voorkomen dat de extensieve landbouwers de dupe worden van de grote groeiers.

Vervolgens is er een groot aantal melkveehouders dat geïnvesteerd heeft in uitbreiding van stalruimte, maar de dieren niet voor 2 juli 2015 heeft gehouden. Daarnaast zijn er melkveehouders die een omgevingsvergunning voor uitbreiding hebben aangevraagd of verleend hebben gekregen, maar de uitbreidingsplannen nog niet hebben uitgevoerd. Knelgevallen of niet?

In het kader van knelgevallenregelingen die we in het verleden hebben gekend bij de invoering van de stelsels van varkensrechten (1998) en pluimveerechten (2001) werden maatregelen genomen voor ‘onbillijkheden van overwegende aard’. In deze twee knelgevallenregelingen werden voorzieningen getroffen voor situaties vergelijkbaar met de hierboven omschreven voorbeelden. Zoals reeds opgemerkt is het de vraag of dit ook gaat gelden voor de melkveehouderij gezien het feit dat dit zou betekenen dat het plafond dan ruimschoots zou worden overschreden. Dit zou voorkomen kunnen worden door ‘andere’ melkveehouders te korten op hun fosfaatrechten (afroming). De vraag is echter of de staatssecretaris zo ver zal en wil gaan. Mogelijk dat in het kader van de knelgevallenregeling melkveehouderij wel een voorziening voor situaties van overmacht wordt getroffen. Dit moeten we echter afwachten; en wachten duurt (meestal) te lang…

Deel deze pagina:

Nog niet beoordeeld

Bijlage(n)

Artikel informatie

Type
Overig
Auteurs
mr. H.A. Verbakel-Van Bommel
Auteursvermelding
Ik ben auteur van dit artikel
Datum artikel
Uniek Den Hollander publicatienummer
UDH:TvAR/12596

Verder in 2015 nr.12

 Fosfaatrechten melkveehouderij; een volgende paragraaf in de Meststoffenwet

De melkveehouderij in Nederland werd op 2 juli 2015 geconfronteerd met de aankondiging van het ‘stelsel van fosfaatrechten’. Op genoemde datum heeft de staatsecretaris van Economische Z...

 De keerzijde van de gaswinning - Een (deels historische) analyse van de gaswinning en de gevolgen hiervan voor de landbouw

In het publieke debat over de gaswinning in het Groningenveld gaat het vooral over veiligheid en schade aan (particuliere) woningen. De effecten op de landbouw komen nauweli...

 Besluit emissiearme huisvestingsystemen landbouwhuisdieren

Op 1 juli 2015 is het Besluit emissiearme huisvestingsystemen landbouwhuisdieren gepubliceerd2 (hierna: Besluit). Het Besluit is in werking getreden op 1 augustus...

 Water en landbouw - Verslag jaarvergadering 2015 Vereniging voor Agrarisch Recht

Op vrijdag 25 september 2015 vond in het Stadstheater te Arnhem de 56ste Algemene Ledenvergadering van de Vereniging voor Agrarisch Recht plaats. In deze bijdrage wordt vers...

 Registers jaargang 2015

I. Artikelen auteur titel pagina mr. V.M. Anches, Waterschapsbelastingen: Belang en betaling voor de 422 ir. J.W.C. Dekking en agrarische sector in balans? E.J. Monsma MSc ing. H.J.T. van Bee...