Tijdschrift voor Agrarisch Recht 2018 nr. 12

Urgenda: niet langer een witte raaf

mr. W.J.E. Van der Werf De volledige inhoud van dit artikel inclusief eventuele afbeeldingen zal zo spoedig mogelijk beschikbaar worden gemaakt.

Op 9 oktober 2018 heeft het gerechtshof Den Haag het opzienbarende arrest gewezen in de Urgenda-zaak over het klimaat.1 Volgens het hof handelt de Staat onrechtmatig door verdere reductie van broeikasgassen per eind 2020 na te laten; de Staat moet ervoor zorgen dat de uitstoot van CO2 met tenminste 25% daalt ten opzichte van de uitstoot in 1990 (het Kyoto basisjaar). Op basis van het huidige beleid zou dat slechts maximaal 17% zijn. Omdat het arrest uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zal de Staat daar uitvoering aan moeten geven, ongeacht het inmiddels ingestelde cassatieberoep. Met zijn arrest bekrachtigt het hof het minstens zo opzienbarende vonnis van de rechtbank uit 20152 . Wel zijn er opmerkelijke verschillen.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, ingevuld op basis van de criteria van het klassieke Kelderluik-arrest en de nadien gevormde rechtspraak over gevaarzetting. Het hof gaat daaraan welhaast geruisloos voorbij en beoordeelt de zaak volledig en uitsluitend in het licht van de schending van artikel 2 (recht op leven) en artikel 8 (recht op ‘family life’) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het leidt uit die artikelen een zorgplicht voor de Staat af, die geschonden wordt omdat de reductie van 25% niet wordt gehaald. Het hof overweegt dat die door de IPPC genoemde ondergrens van 25% niet is neergelegd in een rechtsnorm met rechtstreekse werking, maar de verwijzing naar die norm in alle opvolgende klimaatconferenties vormt bevestiging van het feit dat een reductie van 25 tot 40% minimaal noodzakelijk is om de gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. Volgens het hof heeft de Staat onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een reductie van 20% geloofwaardig is om aan te nemen dat de opwarming van de aarde in 2100 onder de 2 graden Celsius blijft. Eerder had de Staat namelijk zelf hogere percentages genoemd in beleidsdocumenten. Ook tijdens klimaatconferenties en in EU-verband werd naar hogere percentages verwezen. Opmerkelijk is dat het hof – in afwijking van de rechtbank - oordeelt dat Stichting Urgenda rechtstreeks mag klagen over schending van het EVRM. In de Nederlandse rechtsorde is volgens het hof niet van belang of zij als ‘slachtoffer’ van die schending kan worden aangemerkt, zoals artikel 34 EVRM vereist voor toegang tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Van belang is dat artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek een collectieve actie mogelijk maakt. Daarmee opent het hof de deur voor collectieve acties gebaseerd op de schending van mensenrechten, die traditioneel zijn toegesneden op individuen. Dat lijkt voer voor de Hoge Raad, net als de uitleg van de artikelen 2 en 8 EVRM zelf. Volgens het hof volgt daaruit dat de Staat preventieve maatregelen moet nemen als de overheid weet dat er sprake is van een reëel en onmiddellijk dreigend (klimaat)gevaar. Op de vraag waarom de Staat in dit concrete geval kennelijk niet de volgens het EHRM gebruikelijke ruime beoordelingsruimte (‘wide margin of appreciation’) toekomt, gaat het hof niet in. Tot slot maakt het hof (zeer) korte metten met het verweer van de Staat, dat de trias politica aan het bevel aan de Staat in de weg staat. De artikelen 2 en 8 EVRM maken nu eenmaal deel uit van de Nederlandse rechtsorde en hebben zelfs voorrang boven daarmee strijdige Nederlandse wetten. Met name dit laatste punt – is de rechter niet op de stoel van de politiek gaan zitten? - grijpt de Minister van Economische Zaken en Klimaat publiekelijk aan om het instellen van cassatieberoep te rechtvaardigen. De Staat zou geen bezwaar hebben tegen de inhoud van het arrest en dat gaan uitvoeren, maar Urgenda betwijfelt of de Minister dat wel echt zal doen. Het is al snel 2020 en er is door het hof geen sanctie gesteld op niet-naleving. Intussen neemt de druk toe. Uit het op 27 november 2018 gepubliceerde Emissions Gap Report, verschenen in aanloop naar de VN klimaattop in Polen, blijkt dat landen wereldwijd hun inspanningen om de opwarming onder de 2 graden Celsius te houden, moeten verdrievoudigen. De toenemende uitstoot van schadelijke stoffen, een stijgende zeespiegel, grotere wateroverlast, extreme droogte, hoge temperaturen en de - door aardgasbevingen versnelde – energietransitie nopen de Nederlandse overheid tot het treffen van verdergaande maatregelen, die de burger moeten beschermen. De Urgenda-zaak is niet langer een witte raaf, maar symptoom van gewijzigde maatschappelijke en wetenschappelijke opvattingen over het milieu.

Deel deze pagina:

Nog niet beoordeeld

Bijlage(n)

  • Bijlagen zijn alleen beschikbaar voor abonnees.

Artikel informatie

Type
Overig
Auteurs
mr. W.J.E. Van der Werf
Auteursvermelding
Ik ben auteur van dit artikel
Datum artikel
Uniek Den Hollander publicatienummer
UDH:TvAR/15282

Verder in 2018 nr.12

 Urgenda: niet langer een witte raaf

Op 9 oktober 2018 heeft het gerechtshof Den Haag het opzienbarende arrest gewezen in de Urgenda-zaak over het klimaat.[1] Volgens het hof handelt de Staat onrechtmatig door verdere reductie van bro...

 De levering van een bouwterrein: btw of overdrachtsbelasting?

Bij de levering (verkrijging) van een perceel grond of een bouwkavel is het eigenlijk altijd de vraag of er overdrachtsbelasting of omzetbelasting (hierna btw) is verschuldigd. Per 1 januari 201...

 License to produce C12 H22 O11 (van bietenquotum naar LLB)

Daar waar de juridische discussie in agrarisch recht land zich heden ten dage bijna slechts toespitst op P2O5-rechten (fosfaat), is er in de akkerbouwgebieden een ander productierecht op de were...

 Registers jaargang 2018

I. ArtikelenAuteur Titel Paginamr. E. Aarts Participatie in duurzame-energieprojecten op agrarische grond: 169 dos, don’ts & who’s boss? H. van den Berg, De afschaffing van de landbouwreg...