De weeffout bij online algemene voorwaarden
Menno Weij Het artikel is in de opmaak van het tijdschrift rechts als pdf beschikbaar.Dat de terhandstelling van algemene voorwaarden (zowel offline als online), nogal eens fout gaat - met alle gevolgen van dien - bewijst de stroom aan jurisprudentie op dit gebied. Er gaat geen week voorbij zonder een uitspraak over de terhandstelling van algemene voorwaarden.
Helaas gooit de wetgever daar een schepje bovenop, met wat ik zelf maar als weeffout kwalificeer. De weeffout wordt veroorzaakt omdat we, met dank aan Europa trouwens, twee regimes hebben voor het hanteren van algemene voorwaarden.
Allereerst hebben we natuurlijk het vertrouwde regime van 6:233 en 6:234 BW. Maar daarnaast hebben we ook het regime voor dienstverrichters, vastgelegd in 6:230 b en 6:230c BW.
Kern van het probleem (en dus de weeffout) is dat de beide regimes uiteindelijk niet dezelfde vereisten stellen aan de terhandstelling van online algemene voorwaarden. En dit is recent ook bevestigd in jurisprudentie.
Het regime van 6:234 vereist dat de voorwaarden voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst, langs elektronische weg ter beschikking worden gesteld, op een zodanige wijze dat deze kunnen worden opgeslagen. In de praktijk betekent dit dat een mogelijkheid tot printen en/of opslaan dient te worden geboden. [terzijde: je kunt dus discussie hebben over de vraag of enkel een pop-up scherm zonder print/opslag mogelijkheid voldoet, mijns inziens niet].
Het regime van 6:230 vereist dat de dienstverrichter de algemene voorwaarden gemakkelijk elektronisch toegankelijk maakt voor de afnemer, op een door de dienstverrichter meegedeeld adres (lees: internet adres). Maar het regime van 6:30 vereist niet dat de voorwaarden geprint en/of opgeslagen kunnen worden. Zie daar de weeffout.
En zoals ik zei, deze weeffout is inmiddels bevestigd door de Rechtbank Oost-Brabant ( ECLI:NL:RBOBR:2014:2886 ), die als volgt op dit punt overweegt:
‘Ingevolge het bepaalde in artikel 6:230e BW moeten de algemene voorwaarden tijdig voor het sluiten van de schriftelijke overeenkomst worden medegedeeld of beschikbaar gesteld. Noch uit de wet, noch uit de Dienstenrichtlijn (2006/123/EG, PbEU L 376) volgt dat de voorwaarden die op de in artikel 6:230c BW voorzien wijze worden verstrekt, gemakkelijk te downloaden moeten zijn en ter beschikking moeten blijven na het sluiten van de overeenkomst.’
De rechtbank heeft overigens recent eindvonnis gewezen, en geoordeeld dat de partij die de voorwaarden hanteerde, het bewijs dat algemene voorwaarden gemakkelijk toegankelijk waren via de website, niet heeft geleverd.
Wat mij betreft dus werk aan de winkel voor de wetgever. Overigens kan je de Rechtbank Oost-Brabant ook op een fout betrappen in bovenstaand citaat van het tussenvonnis (en dat is stiekem nog een weeffout): uit 6:230e volgt dat bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst inzake het leveren van diensten, de algemene voorwaarden vóór de levering van de dienst beschikbaar moeten worden gesteld. En dat moment kan dus ook liggen ná de totstandkoming van de (niet schriftelijke) overeenkomst… kortom op een later moment. Tja.
Voer voor juristen, en wordt ongetwijfeld vervolgd.