Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte 2018 nr. 3
Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Uitgeverij Den Hollander. Wanneer u geinteresseerd bent in een volledig abonnement op dit product kunt u zich abonneren.

Voorwoord

Nathalie Amiel Het artikel is in de opmaak van het tijdschrift rechts als pdf beschikbaar.

In eerdere nummers van dit tijdschrift heb ik al aangekondigd dat de redactie van het Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte, samen met uitgeverij Den Hollander, op 11 oktober 2018 het congres 'Huurrecht Actualiteiten, van Privacy tot Blockchain' organiseert. Actueler kan het moeilijk zijn, want de kranten staan dagelijks vol met berichten over de nieuwe privacywetgeving (gebaseerd op de AVG, die vanaf 25 mei 2018 veel verplichtingen op het gebied van privacy in het leven roept, ook voor verhuurders). Dit met prikkelende koppen als 'Bedrijfsleven heeft nog de handen vol aan nieuwe privacywetgeving' en 'Overheid zelf nog niet klaar voor privacywet'. Daarnaast valt in de Vastgoedmarkt van 8 mei 2018 te lezen dat Merin voor het eerst een huurovereenkomst tekende met gebruikmaking van blockchain-technologie. Dit zou niet alleen het huurproces versimpelen, maar ook mogelijkheden bieden tot betere beveiliging. De nieuwsgierigen onder ons, verwijs ik naar de website https://denhollander.info/actueel/ConferentieHuurrecht, waar meer informatie over het congres te vinden is.  

Niet alleen de nieuwe privacywetgeving, maar ook de Warmtewet houdt de gemoederen van veel verhuurders bezig. Verhuurders die warmte aan hun huurders leveren, bijvoorbeeld via blokverwarming of stadsverwarming, moeten immers (sinds 2014) voldoen aan de ingewikkelde regels van deze Warmtewet, o.a. door afzonderlijke leveringsovereenkomsten af te sluiten met hun huurders. Hierop is veel kritiek geleverd en inmiddels heeft de Tweede Kamer op 6 maart 2018, naar aanleiding van een evaluatie van de Warmtewet, aan de Eerste Kamer voorgesteld om verhuurders niet langer onder de Warmtewet te laten vallen.  De stand van zaken op het moment van schrijven van dit voorwoord is dat de Eerste Kamercommissie voor EZK/LNV op 24 april 2018 het voorlopig verslag heeft uitgebracht en het wachten is op de memorie van antwoord. Wij blijven de ontwikkelingen volgen en zullen u (bijvoorbeeld in de actualiteitenrubriek van ons tijdschrift) op de hoogte houden.

Ook de retailmarkt is constant in beweging, onder andere door internet en branchevervaging. Verhuurders en gemeentes willen graag zoveel mogelijk invloed uitoefenen op de branchering in winkelgebieden en huurders zoeken vaak de grenzen op van wat er in hun winkel is toegestaan. Dit spanningsveld leidt de laatste tijd tot veel jurisprudentie, zowel bestuursrechtelijk als huurrechtelijk. In het eerste artikel van dit tijdschrift bespreekt Max Wösten (bedrijfsjurist bij NS Stations) deze jurisprudentie in zijn artikel ‘Grenzen aan branchering’. Hij gaat bovendien in op diverse omstandigheden die de branchering beïnvloeden, zoals erfpachtvoorwaarden en de Winkeltijdenwet.

In dit tijdschrift is in het verleden meermaals aandacht besteed aan de algemene regels van het schadevergoedingsrecht uit titel 6.1.10 BW. In aanvulling op hetgeen in eerdere artikelen is beschreven, gaat Yacob Mijhad in het tweede artikel van dit nummer in op het vereiste van causaal verband bij de vaststelling van schade. Het doel van zijn artikel is een beknopt overzicht te geven van de heersende leer op dit punt. Daarbij staan het 'condicio sine qua non-verband' en de 'toerekening naar redelijkheid' centraal. Vervolgens worden aan de hand van huurrechtelijke jurisprudentie enkele voorbeelden uitgewerkt van de toetsing van het causaal verband bij de vaststelling van schade in huurzaken.

Wanneer een verhuurder, bijvoorbeeld in verband met herontwikkelingsplannen, huurovereenkomsten wil opzeggen, doet hij er goed aan dit in een zo vroeg mogelijk stadium te doen, nu art. 7:295 lid 1 BW bepaalt dat de huurovereenkomst van kracht blijft tot de rechter onherroepelijk op de huurbeëindigingsvordering heeft beslist. Dit laatste tenzij de rechter zijn (toewijzende) uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaart, hetgeen hij echter enkel kan doen indien het verweer van de huurder tegen de beëindigingsvordering hem ‘kennelijk ongegrond’ voorkomt. Anique Bergers-Kemp bespreekt in het laatste artikel van dit nummer wanneer een verweer ‘kennelijk ongegrond’ is. Zij concludeert bovendien dat art. 7:295 lid 1 BW niet in de weg staat aan een eerdere ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening, nu deze wettelijke regel alleen geldt voor de beslissing in de bodemzaak.

Ik wens u weer veel leesplezier!

Nathalie Amiel

Deel deze pagina:

Nog niet beoordeeld

Bijlage(n)

Artikel informatie

Type
Artikel
Auteurs
Nathalie Amiel
Auteursvermelding
Ik ben auteur van dit artikel
Datum artikel
Uniek Den Hollander publicatienummer
UDH:TvHB/14987

Verder in 2018 nr.3

 Voorwoord

In eerdere nummers van dit tijdschrift heb ik al aangekondigd dat de redactie van het Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte, samen met uitgeverij Den Hollander, op 11 oktober 2018 het congres '...

 Grenzen aan branchering

De retailmarkt is volop in ontwikkeling. De invloed van internet, disruptieve concepten[2] en branchevervaging is groot. Dit maakt dat ook het belang van een goede branchering steeds groter word...

 Vaststelling van causaal verband in een huurrechtelijke context: het ‘condicio sine qua non-vereiste’ en de ‘toerekening naar redelijkheid’

In de huurrechtelijke praktijk wordt door huurders en verhuurders om allerlei uiteenlopende redenen onderhandeld en geprocedeerd over vorderingen tot vergoeding van schade. Voor de hand...

 Uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van een huurbeëindigingsuitspraak - Over art. 7:295 lid 1 BW: ratio, reikwijdte en rekken

Als de verhuurder van een verouderd winkelcentrum plannen heeft om dat winkelcentrum ingrijpend te renoveren en te herindelen, zal over het algemeen vrij eenvoudig aannemelijk kunnen worden gema...