Tijdschrift voor Sanctierecht & Onderneming Straf- en bestuursrechtelijke handhaving van financieel-economisch recht 2019 nr. 4

Voorwoord

mr. dr. E.M. Witjens Het volledige en opgemaakte artikel zoals het is gepubliceerd in het tijdschrift zal zo spoedig mogelijk beschikbaar worden gemaakt.

De hoge en bijzondere transacties blijven de gemoederen bezig houden. Schreven in de vorige editie Verhage en ’t Sas een zeer lezenswaardige bijdrage over de aanstaande rechterlijke toets van dat type transacties, in het onderhavige nummer maakt Felix in zijn artikel de procedure inzichtelijk volgens welke het OM tot het aangaan van een dergelijke transactie dient te besluiten.

Door middel van Wob-verzoeken kon Felix achterhalen op welke wijze voorgenomen hoge transacties door de verschillende niveaus binnen de organisatie van het OM worden beoordeeld en – in bepaalde gevallen – zelfs worden voorgelegd aan de Minister van Justitie en Veiligheid. De auteur formuleert daarbij kritiek op de ondoorzichtige wijze waarop (mogelijk) gestuurd wordt door de hogere niveaus – met name waar het mogelijk politieke beïnvloeding zou kunnen betreffen en wijst op het uitgangspunt dat de zaaksofficier in grote zelfstandigheid de bevoegdheid tot vervolging behoort te kunnen uitoefenen.

Stevens en Paardekoper breken in hun bijdrage over corporate enforcement juist een lans voor meer regulering van de hoogte van deze megaschikkingen. Zij wijzen op de situatie in de Verenigde Staten, waar (o.a.) de US Sentencing Guidelines gedetailleerde bepalingen kennen waardoor – binnen een bepaalde bandbreedte – redelijk precies een voorspelling gedaan kan worden over de hoogte van op te leggen boetes of overeen te komen transacties. Een vergelijking met de Nederlandse transactiepraktijk wijst naar het oordeel van de auteurs uit dat in de huidige situatie de medewerking van Nederlandse bedrijven en de door deze genomen maatregelen onvoldoende duidelijk worden verdisconteerd in de hoogte van transactiebedragen. Zo blijft bijvoorbeeld onduidelijk hoe het door ING (al tijdens het onderzoek naar overtreding van de Wwft en schuldwitwassen) opgestelde grootschalige herstel- en verbeterprogramma van invloed is geweest op het uiteindelijke transactiebedrag van € 775 miljoen.

Ook in de rest van deze editie vindt men interessante bijdragen die vanuit verschillende invalshoeken bijdragen aan het debat over de financieel-economische regelgeving en aanverwante onderwerpen. Ik licht op deze plaats nog twee onderwerpen uit.

Van der Horst en Klein schrijven in een zeer uitgebreid artikel over het verschoningsrecht, een ander onderwerp dat – ook in dit blad – met regelmaat terugkeert. Wat hun bijdrage met name lezenswaardig maakt, is hun kennis van de situatie in de praktijk ten aanzien van grote Fiod-onderzoeken. De fundamentele uitgangspunten die het debat veelal kleuren, laten onverlet dat opsporingsinstanties in de huidige situatie kennelijk met een moeilijk werkbare situatie achterblijven. In hun artikel gaan de auteurs in op de heikele kwestie wanneer nu precies sprake is/moet zijn van verschoningsrecht en het uitblijven van een duidelijke definitie van ‘de advocaat’ (het werk van de commissie Leliveld ten spijt).

Daarnaast besteden de auteurs veel aandacht aan praktische aspecten van het verschoningsrecht. Een belangrijke vraag is hoe de grote hoeveelheden data die (vooral in financieel-economische zaken) in beslag worden genomen, geschoond moet worden. De auteurs laten de knelpunten zien van het beleggen van die selectie bij het kabinet RC en bepleiten (een vorm van) ondersteuning door medewerkers geheimhouding.

De implicaties die de meningsverschillen over de praktische vormgeving van het bewerkstelligen van het verschoningsrecht heeft op de voortgang van onderzoeken is een rode draad in het artikel. Het is daarmee een nuttige bijdrage aan het debat, één die wellicht een reactie van advocatuurlijke zijde zal (moeten) uitlokken over hoe de praktische bezwaren die de auteurs signaleren het hoofd kunnen worden geboden zonder de waarborg zelf geweld aan te doen.

Van een meer theoretische aard is het artikel van Van der Vorm, die in zijn artikel met een verfrissende blik naar het financiële handhavingsrecht kijkt en zich afvraagt of er in dat rechtsgebied reden bestaat om een voorwaardelijke bestuurlijke boete te introduceren, evenals vervangende hechtenis. Zijn dogmatisch ingestoken verhaal zet tot denken aan en geeft mooie doorkijkjes tussen het bestuursrechtelijke en het strafrechtelijke sanctiearsenaal in een specifiek deel van het recht.

Ook Altena en Kraaijeveld besteden in hun bijdrage aandacht aan de actualiteit rondom bestuurlijke boetes. Zij bespreken een recente uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin het een streep haalt door een constructie van hoofdelijkheid bij oplegging van een boete door de ACM aan een bedrijf en twee feitelijke leidinggevers, tevens bestuurders van het beboete bedrijf. De auteurs signaleren dat deze constructie wijdverbreid was bij toezichthouders en zij gaan in op enkele voorbeelden van die praktijk. Naar aanleiding van een korte vergelijking van hoofdelijkheid in de verschillende rechtsgebieden komen de auteurs tot de conclusie dat de uitspraak van het CBb terecht is. De vraag blijft volgens de auteurs echter wel, of de uitspraak algemene navolging zal krijgen…

De beschreven artikelen sluiten aan bij de actualiteit, gelet op berichtgeving in het Financieel Dagblad begin augustus dat ABN Amro een ‘tik op de vingers’ had gekregen van DNB over tekortschietende witwascontrole1 en (anderhalve maand later) dat het OM ABN Amro als verdachte heeft aangemerkt ter zake van witwassen.2 Voor ABN Amro leidt de reprimande van DNB alvast tot een extra investering van € 114 miljoen in hun Know Your Customer-afdeling, terwijl het nieuws van het onderzoek door het OM een flinke keldering van de koers tot gevolg had. De belangen zijn onverminderd groot.

Of ABN Amro ter zake van deze kwestie mogelijk een bestuurlijke boete zal krijgen of een hoge transactie met het OM kan aangaan, zal de tijd leren. Of er tijdens dat onderzoek schermutselingen over de reikwijdte van het verschoningsrecht zullen zijn, laat zich raden. Wat in de tussentijd zeker is, is dat u als lezer van ons blad op de hoogte blijft van de relevante ontwikkelingen in ons rechtsgebied door de bijdragen van de auteurs en de medewerkers van dit blad. De redactie wenst u veel leesplezier toe.

Deel deze pagina:

Nog niet beoordeeld

Bijlage(n)

  • Bijlagen zijn alleen beschikbaar voor abonnees.

Artikel informatie

Type
Overig
Auteurs
mr. dr. E.M. Witjens
Auteursvermelding
Ik ben auteur van dit artikel
Datum artikel
Uniek Den Hollander publicatienummer
UDH:TvSO/15784

Verder in 2019 nr.4

 Voorwoord

De hoge en bijzondere transacties blijven de gemoederen bezig houden. Schreven in de vorige editie Verhage en ’t Sas een zeer lezenswaardige bijdrage over de aanstaande rechterlijke toets van...

 De interne besluitvorming van het Openbaar Ministerie in gevoelige zaken en hoge transacties: een geschikte procedure?

Met name in het bijzonder strafrecht worden strafrechtelijke vervolgingen vaak getransigeerd. ‘Hoge’ en ‘bijzondere’ transacties[2] kunnen rekenen op veel aandacht. Niet alleen van prof...

 Corporate enforcement in het Nederlandse strafrecht

In mei van dit jaar verscheen op de website van Mr. een bijdrage waarin gesproken werd over de verhoudingen tussen het Openbaar Ministerie (OM)/de FIOD en de advocatuur in het kader van...

 Het verschoningsrecht, de toekomst met vertrouwen tegemoet?

1. Het verschoningsrecht: een voortdurende discussieHet verschoningsrecht is een terugkerend onderwerp van discussie waar ook kort geleden door het OM en de FIOD weer de aandacht voor is gevraagd.[...

 Enkele gedachten over de voorwaardelijke bestuurlijke boete in het financieel-economische handhavingsrecht

Tegenwoordig bestaat weer veel aandacht voor de afstemming tussen bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving. Ondanks de ontwikkeling van inhoudelijke en procedurewaarborgen die van to...

 Hoofdelijkheid bij bestuurlijke boetes; een (terecht) eind aan jarenlange praktijk? - Een artikelnoot bij de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:47

‘6.12.3 Bij het beoordelen van de evenredigheid van de opgelegde boete betrekt het College ambtshalve dat ACM niet aan elk van de drie betrokkenen – de onderneming (een rechtspersoon) en de persone...