Tijdschrift voor Internetrecht 2014 nr. 3

Het Europese Hof houdt ons bij de les

Mathieu Paapst Het artikel is in de opmaak van het tijdschrift rechts als pdf beschikbaar.

Halverwege het jaar kan nu al de conclusie getrokken worden dat er na afloop van dit jaar een kroniek over internetrecht geschreven kan gaan worden van aanzienlijke omvang. Er lijkt deze maanden sprake te zijn van een ware stortvloed aan nieuwe relevante uitspraken van het Europese hof van Justitie. Ik noem er hier slechts twee:

Zo deed het Europese hof op 10 april 2014 uitspraak over de thuiskopieheffing, en de thuiskopie-uitzondering van art. 16c Auteurswet (C-435/12). Volgens het Europese hof is het maken van een privé kopie niet toegestaan indien de auteursrechtelijk beschermde werken afkomstig zijn uit een illegale bron. Door deze uitspraak is het jarenlang gehuldigde standpunt van het Nederlandse kabinet dat het maken van een privé kopie in een dergelijk geval op grond van art. 16c Auteurswet wel is toegestaan, niet langer houdbaar. Het hof is over dat artikel van mening dat: ‘een nationale wettelijke regeling (…), die geen onderscheid maakt tussen de situatie waarin de bron van een voor privégebruik vervaardigde reproductie geoorloofd is, en de situatie waarin deze bron ongeoorloofd is, geen correcte toepassing van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik kan verzekeren.’ Door art. 16c nu in het vervolg richtlijnconform uit te leggen, komt volgens het kabinet aan het oordeel van het Europese hof onmiddellijke werking toe: Nederland heeft per direct een downloadverbod. Een wetswijziging zou daarvoor niet nodig zijn. De komende tijd zullen we moeten afwachten hoe het kabinet wil gaan verzekeren dat de huidige wetsbepaling zonder tekstuele aanpassing correct wordt toegepast, en hoe zij handelingen waarvoor de rechthebbenden geen toestemming hebben gegeven wil beperken. Want het Europese hof was er in rechtsoverweging 44 ook duidelijk over dat juist het kabinet (en dus niet enkel de rechthebbenden) hiervoor verantwoordelijk is.

Een andere relevante uitspraak is het arrest van 13 mei 2014 in de procedure tussen Google en de Spanjaard Mario Gonzalez (C-131/12). In de kern komt het arrest erop neer dat Google onder bepaalde omstandigheden verplicht kan worden om zoekresultaten te ‘verwijderen’. Het arrest wordt door velen gezien als een baanbrekende uitwerking van het ‘Right to be forgotten’, waarbij het grondrecht om informatie te mogen ontvangen een pas op de plaats moet maken. Anderen zien het eerder als een logisch uitwerking van onze privacywetgeving. Google verwerkt immers als onderdeel van de zoekresultaten ook persoonsgegevens, en op deze zoekresultaten zal de privacywetgeving vanzelfsprekend van toepassing zijn. Het feit dat deze verwerking geautomatiseerd plaatsvindt op basis van een zoekalgoritme, maakt dit niet anders. Bovendien lijkt hierbij van belang te zijn dat de marktvorm van internetzoekmachines er een is van oligopolie. Mogelijk was de uitspraak anders uitgevallen indien Google slechts één van vele aan Google gelijkwaardige zoekmachines is. Daar is echter geen sprake van. Er is maar een beperkt aantal aanbieders van zoekmachines, en Google is daarvan verreweg ook nog eens de grootste. Dit legt juist op een partij als Google een (te) zware verplichting om persoonsgegevens op een behoorlijke ,zorgvuldige en niet bovenmatig wijze te verwerken. Het baanbrekende zit misschien nog wel meer in de gevolgtrekking dat ook een Amerikaans bedrijf zoals Google zich aan de Europese wetgeving dient te houden. Daarmee houdt het Hof niet alleen staten, maar ook multinationals bij de les. Wat hier ook van zij, inmiddels heeft Google voorzien in een Vergeet mij procedure om tegemoet te komen aan de uitspraak. En de ironie wil dat we dit te danken hebben aan de heer González, die we daarom niet licht meer zullen vergeten.

Deel deze pagina:

Nog niet beoordeeld

Bijlage(n)

Artikel informatie

Type
Overig
Auteurs
Mathieu Paapst
Auteursvermelding
Ik ben auteur van dit artikel
Datum artikel
Uniek Den Hollander publicatienummer
UDH:IR/11485

Verder in 2014 nr.3

 Het Europese Hof houdt ons bij de les

Halverwege het jaar kan nu al de conclusie getrokken worden dat er na afloop van dit jaar een kroniek over internetrecht geschreven kan gaan worden van aanzienlijke omvang. ...

 Daar kon je op wachten: richtlijn bewaarplicht ongeldig verklaard

Het komt niet vaak voor dat een richtlijn ongeldig wordt verklaard.[1] En toch was het niet voor iedereen een heel grote verrassing dat het Hof van Justitie van de Europes...

 De Wbp als toetssteen voor uitingen op internet: een jurisprudentieanalyse van Kleintje Muurkrant tot nu - Raoul van de Laak*

In het verleden kon men bij zaken met betrekking tot onrechtmatige publicaties een onderscheid maken in enerzijds zaken waar een beroep werd gedaan op aantasting van de eer en goede naam en ande...

 Opinie - Naweeën bij de implementatie van de Richtlijn consumentenrechten: de levering van digitale content revisited

De omzetting van de Richtlijn consumentenrechten[1] - en daarmee de introductie van een nieuw regime voor overeenkomsten op afstand - is een feit. Vanaf 13 juni 2014 geldt de nieuwe w...

 Heling eindexamens Ibn Ghaldoun

Annotatie bij uitspraak Rechtbank Rotterdam 13 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:976 Inleiding Verdachte is – kort gezegd – veroordeeld voor opzetheling van onder meer foto’s va...